Monthly Archives: March 2015

Men staat erbij en kijkt ernaar

ZONDAG, 07 FEBRUARI 2010 21:58

Men staat erbij en kijkt ernaar

Een stadsbestuur dat niet stuurt en de nadelige gevolgen ervan voor de bewoners

 

In een open economie als de Nederlandse kan een gemeentebestuur de economische ontwikkeling van de stad slechts beperkt beïnvloeden. Op het vlak echter van stedenbouw, ruimtelijke ordening, de verdeling van stedelijke functies, de inrichting van buurten en wijken, het gebruik van de openbare ruimte, heeft de gemeente wel meer beleidsruimte. Maar helaas: het Utrechtse bestuur benut deze ruimte te weinig. Het laat de ontwikkelingen vooral over aan ‘het vrije spel van maatschappelijke krachten’ waarvan ze de uitkomst voorziet van een verpakkingswikkel: de beleidsnota. Het feitelijk stuurloze beleid heeft grote nadelen voor de bewoonbaarheid en het leefmilieu van de stad. Daarom is in het belang van de Utrechtse burgers een diepgaand maatschappelijk debat over de benutting van de beleidsruimte dringend nodig.

 

In de late Middeleeuwen was Utrecht een van de grootste en belangrijkste steden van westelijk Europa.
Doordat de zeeschepen en de navigatietechniek daarna in snel tempo verbeterden kon de internationale handel zich stormachtig ontwikkelen. Dat had tot gevolg dat de handelsstromen wijzigden. Diverse economisch-politieke centra namen in betekenis af ten gunste van steden die geografisch gunstiger lagen. Utrecht moest zijn positie afstaan aan Amsterdam.
Hoewel Utrecht economisch gezien nog steeds stevig steunde op de handel en de in de wijde omgeving beoefende veeteelt, liep de stad in het algemeen niet meer voorop in nieuwe ontwikkelingen.
Geleidelijk kreeg Utrecht het imago van een wat ingeslapen stad, met weinig visie op de toekomst. Toch was het in Utrecht aangenaam en vond de stadsbewoner er zijn geluk, zoals uit vele schriftelijke en mondelinge overleveringen blijkt.
Zo’n 40 jaar geleden wist Utrecht het imago van een wat ingedutte stad kwijt te raken.

 

Uit de slaap

Een van Nederlands grootste bouwbedrijven en projectontwikkelaars, het in Utrecht gevestigde Bredero’s Bouwbedrijven, wist na een intensieve lobby het gemeentebestuur van Utrecht te verleiden tot een avontuurlijke onderneming, waarvan de financiële, economische, stedenbouwkundige en sociale grenzen weinig zichtbaar waren. Het avontuur betrof de bouw van Hoog-Catharijne. Om daarvoor ruimte te scheppen werd een statig-mooi en levendig deel van de binnenstad afgebroken en werd het centraal station gemoderniseerd en verbonden met het destijds grootste overdekte winkelcentrum van Europa. Daarnaast werd de nabije omgeving geherstructureerd, overigens minder vergaand en ingrijpend dan een hoofdstroom in het gemeentelijk apparaat wilde. De onderneming stuitte gedurende enkele decennia op financiële grenzen en sociaal-politiek verzet.
Dat het een groot avontuur betrof bleek al enkele jaren na de voltooiing van Hoog Catharijne. Utrecht droeg de belangrijkste financiële risico’s van de projecten, de stad werd daardoor artikel-12-gemeente en kwam onder strakke curatele van het rijk. De broekriem moest jarenlang flink aangetrokken gehouden worden, wat vooral de mensen trof met het minste financiële vet.

 

Utrecht was zo in het bezit gekomen van een winkelcentrum dat, met het al aanwezige winkelbestand, een enorme overcapaciteit had. Al gauw werd er tot in Heerenveen en Kerkrade geadverteerd met de oproep om Utrecht en dan speciaal ‘Het Winkelhart van Nederland’, te bezoeken. Dat had het gewenste effect. Van heinde en verre kwamen de winkel- en stadsbezoekers.
Utrecht kwam los van zijn imago van ingeslapenheid en maakte aan de hand van projectontwikkelaars en vastgoedexploitanten kennis met de bestuurlijke instrumenten voor het omvormen van de stad.
Wat bleef was het gebrek aan een samenhangende eigen visie en de frustratie net niet bij de grootste steden te horen. Externe adviseurs en lobbyisten sprongen daar gretig op in door het stadsbestuur allerlei ad hoc-visies en –’wensen’ aan te praten.
Zo ontwikkelde Utrecht zich vooral via de onzichtbare sturende hand van organisaties en bedrijven, die de stad aantrekkelijk vonden vanwege haar centrale ligging in het land en op de route naar handelspartner Duitsland. Naderhand ging de infrastructuur die Utrecht voor de aanwezige bedrijvigheid had ontwikkeld als vestigingsargument gelden.
Utrecht stelde en stelt wel beleidskaders op, maar verruimt die even zo vrolijk of staat afwijkingen toe vanwege allerlei langskomende wensen. Dat gebeurde soms nogal opzichtig, zoals bijvoorbeeld met het facetbestemmingsplan Horeca.

 

Utrecht op de kaart

Universiteit en hogeschool ontwikkelden zich op basis van rijks- en Europees beleid. De NS, de Raad van Grootwinkelbedrijven (nadien omgedoopt tot het neutralere Raad Nederlandse Detailhandel), banken en verzekeringsmaatschappijen, onroerend goedbedrijven, de Jaarbeurs, handelsbedrijven, advocaten-notarissen-accountants, adviesbureaus, enzovoort, alle zetten hun eigen lijnen uit en stelden en stellen aan Utrecht voorwaarden voor hun vestiging, hun uitbreiding of de intrekking of bijstelling van een voorgenomen krimp of verhuizing.
Het moet gezegd zijn, het economisch leven heeft zich historisch gezien altijd via duwen en trekken ontwikkeld en dat zal wel zo blijven. Het kan wellicht ook niet anders. Planeconomische avonturen (die alle miskennen dat de economie een gedragsverschijnsel van de mens is) zijn alle een faliekante mislukking gebleken. Daarop moet men zijn zinnen niet zetten.
Utrecht vormt overigens geen gesloten systeem, maar maakt deel uit van een open economie. Daardoor zullen diverse investeringen van andere steden of regio’s in het vestigingsklimaat voor bedrijven en in werkgelegenheid, ook profijtelijk blijken voor de Utrechtse economie. Omgekeerd zullen diverse investeringen in de Utrechtse economie weglekken naar andere steden en regio’s. Dat geldt ook de zogenoemde citymarketing, waarbij alle steden, tot genoegen van de adviesbureaus, met steeds duurder visgerei in dezelfde vijver vissen. Het stadsbestuur doet het echter voorkomen alsof van alle investeringen de opbrengsten aan Utrecht toevallen.
Wil men vooral de Utrechtse economie stimuleren, dan moet men nieuwe investeringsobjecten met zorg en op grond van goede onderbouwing kiezen. Dat gebeurt tot dusver niet.

 

De ruimte die er was en is om ontwikkelingen in redelijke banen te leiden heeft Utrecht slecht benut. Met een actievere opstelling en meer creativiteit zou het aandeel van productiebedrijven en productontwikkelaars in de economie van de stad niet zo sterk achteruit zijn gegaan als in werkelijkheid gebeurde. Utrecht steunt vooral op handel, dienstverlening en kennisproductie. Met deze economische activiteiten is niks mis, maar een breder palet ware gewenst met het oog op de werkgelegenheid op lange termijn.
Door haar ligging is de hedendaagse economische ontwikkeling de stad meer overkomen dan gestimuleerd door een richting gevend stadsbestuur.

 

Ook met betrekking tot de stedenbouw en de ruimtelijke- en economische ordening en is weinig creativiteit aan de dag gelegd. Er is aan ontwikkelaars en aannemers volop ruimte geboden om hun eenvormige, veelal in zichzelf gekeerde, inhumane en te dure industriële bouwproducten neer te zetten.
De economische activiteit is sterk geconcentreerd in bedrijventerreinen en kantoorwijken. Openbare diensten zijn vooral opgehoopt in en rondom het centrum.
Tal van buurten en wijken hebben een laag voorzieningenniveau en bieden beperkte werkgelegenheid. Door de bank genomen hebben buurten ook weinig openbaar groen en weinig open ruimten (pleinen e.d.). De mogelijkheden voor vertier zijn gering.
Velen verlaten meer malen per week hun buurt om in of nabij het stadscentrum de naar hun aard dagelijkse besognes af te wikkelen, omdat zulks in de eigen buurt onvoldoende mogelijk is. Gevolg hiervan is dat vele woonbuurten een intense saaiheid hebben en de verschraling van het diensten- en winkelaanbod nog eens versterkt wordt. Veel verkeer tussen buurten en het stadscentrum wordt daardoor gaande gehouden zodat het stadscentrum in zekere zin onder de drukte bezwijkt.

 

De trotse en ferme presentatie van sommige leden van het stadsbestuur ten spijt is in het Nederlandse bedrijfsleven wijd en zijd bekend dat Utrecht sinds jaar en dag een zwak bestuur heeft. Er wordt gezegd, maar dat is overdreven, dat in Utrecht alles kan. Maar dat er veel kan is zeker. Dit heeft waarschijnlijk minder te maken met een houding van meegaandheid dan met grote kwaliteitstekorten in het bestuur, ambtelijk apparaat en diensten. Door de kwaliteitstekorten wordt er onvoldoende stuur gegeven en wordt een zekere mentale luiheid in de hand gewerkt. De kwaliteitstekorten zijn en worden gemaskeerd met de inzet van kostbare stromen interim- en andere inhuurmedewerkers die veelal geen kennis van en oog voor de stadscontext hebben en veelal geen authentiek gevoel voor Utrecht en de Utrechtse burgers kunnen ontwikkelen, daar zij van klus naar klus gaan.

 

De publieke ruimte in dienst van het neringdoen

Landelijk en internationaal opererende filiaalbedrijven en franchise-winkelformules hebben een aanbodgeorienteerd standaard-assortiment, met standaardpresentatie in standaardwinkelruimten, in toenemende mate achter standaardgevels, façaden van erbarmelijke architectuur. Deze bedrijven kan men overal elders ook aantreffen. Zij hebben geen binding met plaatselijke gegevens en de ‘couleur locale’.

 

Tegelijk zijn de openbare ruimten tot private-commerciële publiektrekkers verworden. De openbare ruimte, met inbegrip van het schaarse openbare groen (waarvan de functie verdrongen wordt), wordt meer en meer ingenomen door privé-initiatieven. Er is een nieuw soort stedelijkheid ontstaan, waarin het consumeren, recreatie en het ondergaan van belevenissen de overhand hebben gekregen.

 

De publieke ruimte is zodanig vormgegeven, ingericht en aangekleed dat het publiek zich hoe dan ook gevoelsmatig verbonden zal voelen met het gebied waarin het zich bevindt, maar dat niets van doen heeft met een fundamentele beleving. Dat gebeurt door middel van vaak slordig aangebrachte, met de historie van de plek strijdige architectuurelementen en rekwisieten (b.v. de horecazone aan de Oudegracht, de schildering van het kerkinterieur tegen de westgevel van de domkerk, de Venetiaanse gondel in de gracht), die een specifiek gevoel, een sfeer moeten oproepen. In deze sfeer wil de doelgroep tegen een buitensporige betaling wel consumeren en zich een tijdje verpozen.

 

Veel bedrijven kunnen zich niet meer door hun product of dienstverlening onderscheiden en proberen op een andere manier een extra dimensie aan hun verkoopwaar te geven. Ze voegen een zekere mate van theatraliteit en leukigheid aan hun product toe. Zij leveren een belevenis aan de klant. De emotionele component, wordt bij verkoop steeds belangrijker terwijl kwaliteit en prijs van het product er minder toe doen. Om zich te onderscheiden verplaatsen zij hun bedrijvigheid tegen betaling van een fooi (legesgelden) naar de openbare ruimte, de straat, de schaarse parken en pleinen, en onttrekken deze met steun van het stadsbestuur aan het normale gebruik en heffen soms zelfs entree.
Evenementen, veelal gepaard aan intense, ongezonde herrie waarin normale communicatie onmogelijk is en de bezoeker in zich zelf opgesloten wordt, vormen het decor waarin horecaondernemers op immense schaal hun waren slijten. Het gemeentebestuur is hen dienstbaar door het openbare karakter van pleinen, parken, soms straatdelen, in te dammen met behulp van de door langstrekkende inhuurambtenaren geschreven bestemmingsplannen. Het openbare karakter van de straat, het park, het plein wordt geleidelijk aan afgepakt van de burgers, die zich af en toe in de eigen buurt buitengesloten voelen. Het intensieve gebruik van de openbare ruimte heeft slijtage tot gevolg, waar veel te weinig onderhoud tegenover staat, waardoor de openbare ruimte langzaam maar wel zichtbaar in verval raakt. De beschikbare middelen vloeien te vaak toe aan allerlei onnutte bestedingen.
De binnenstad is ook een verzamelplaats van simulaties: er wordt geschiedenis in scène gezet, soms met herdenkingen van een uit zijn voegen gelichte, omgevormde geschiedenis (bijv. de Vrede van Utrecht-herdenking). De stad als pretpark.
Deze ontwikkelingen kent men ook in andere steden, maar hebben in onze stad grote proporties aangenomen en dragen bij aan de bedenkelijke faam dat in Utrecht alles mag.
Ingehuurde en eigen adviseurs van het gemeentebestuur en vervolgens ook het gemeentebestuur zelf, stellen zonder noemenswaardige onderbouwing, dat de geschetste ontwikkelingen goed zijn voor de stedelijke economie en het welzijn van zijn bewoners. Maar zij miskennen de zekerheid dat het niet aan recreatief winkelbezoeken vermaak uitgegeven geld op een andere manier in vooral de lokale economie wordt besteed. Zij blijven dus onverdroten deze ontwikkeling stimuleren. Dat doen zij door middel van een uitgekiend programma van ‘citymarketing’, waarin Utrecht ten behoeve van de in de stad gevestigde bedrijven, met inzet van alsmaar groeiende budgetten, de concurrentie aangaat met andere gemeenten om elkaars consumenten weg te lokken. Adviesbureaus spinnen hier garen bij. Of de stedelijke economie en werkgelegenheid na zorgvuldige saldering van de directe en maatschappelijke kosten en de opbrengsten hier beter van wordt is de vraag. Deze vraag wordt echter nooit afdoende beantwoord.
Niet toevallig heeft het strak geleide Nationaal Congres Citymarketing & Evenementen in maart 2010 als thema “Wat levert citymarketing op?” Het valt overigens niet te verwachten dat de organisator van het congres, een van de grootste adviesbureaus op het terrein van citymarketing en evenementen, een haar onwelgevallig antwoord op de vraag toelaat.

 

De hier geschetste ontwikkeling zet sinds zo’n vijfentwintig jaar in toenemende mate een stempel op de binnenstad. De binnenstad is in zijn profiel tegenstrijdig: ‘pretpark’ en ‘cultuurstad’.
Het echte cultuur- en historietoerisme staat dan ook onder druk, zoals de gemeente al vaststelde. Het pretparkelement is van negatieve invloed op de gemiddelde verblijfsduur van binnenstadsbewoners. Omgekeerd is het aandeel van de meer vlottende bevolking toegenomen. Veel binnenstadsbewoners met een bovenmodaal inkomen willen de stad verlaten zodra zij de mogelijkheid daartoe krijgen, zoals de vereniging van ontwikkelaars NVB afgelopen najaar vaststelde. Het (schaarse) groen, de theaters, musea, restaurants en standaard-boetieks, leggen het voor deze stadsbewoners af tegen de volgepropte en slecht onderhouden openbare ruimte, de herrie, de drukte en het vuil.

 

Om de alsmaar groeiende stroom van genieters van stadsbelevenissen en de funshoppers van elders naar de standaardwinkels en horeca van Utrecht te lokken, zet de gemeente sterk in op het vergroten van het aantal gemotoriseerde stadsbezoekers, immers slechts circa 10 % van de stadsbezoekers komt per auto. Er zit nog potentieel onder de verstokte automobilisten. Het percentage gemotoriseerde stadsbezoekers wil men opkrikken door vanaf de snelweg een nieuwe verkeersader naar de binnenstad te leiden (Spoorlaan) en door bestaande routes te optimaliseren. Hiermee zijn gigantische bedragen gemoeid en moeten stad en haar begroting jarenlang op de kop. In brede stroken langs deze verkeerswegen wordt het leefklimaat (en vanwege de verkeersemissies en het verkeersgeluid ook de gezondheid) blijvend aangetast.

 

Groei voor alles

Voor de hiervoor kort geduide onderling samenhangende ontwikkelingen is nooit expliciet gekozen. Evenmin werden en worden de ontwikkelingen in hun gevolgen voor de stad en zijn bewoners weloverwogen en feitelijk aangegeven.
Het stadsbestuur heeft niet wezenlijk gestuurd of bijgestuurd. De stad is voetje voor voetje terecht gekomen waar zij nu is.
Na te zijn waargenomen worden de ontwikkelingen zoals zij zich voordeden in beleidsnota’s beschreven. Die nota’s zijn dus niet koersbepalend, maar voornamelijk registrerend van karakter.

 

Noch over het economisch- en werkgelegenheidsbeleid van de stad, noch over stedenbouw en ruimtelijke ontwikkeling, noch over de architectuur, noch over de functies van de stad, in het bijzonder de binnenstad, is ooit een fundamenteel debat gevoerd, niet binnen opeenvolgende colleges van B&W, niet in de gemeenteraad en zeker niet met de stadsbewoners. Het weinige op facetten gevoerde debat tussen stadsbewoners en gemeentelijke organen wordt door de gemeente zo sterk ingekaderd dat de burger zijn verhaal niet goed kwijt kan en van zijn inbreng niets terug ziet, zelfs niet in verslagen.
Beleidsnota’s waren er vele, doch alle hadden een facetkarakter of ad hoc-insteek, namen vaststaande ontwikkelingen als oriëntatiepunt, en de samenhangen met en invloed op andere beleidsgebieden werden niet in kaart gebracht (effectrapportages). Daarbij hadden en hebben veel adviseurs direct of indirect belang bij hetgeen zij adviseren en zijn te gevoelig voor suggesties uit het bestuurlijk apparaat met betrekking tot de uitkomst van advies of onderzoek.

 

Het gemeentebestuur wil geen bijwagen meer zijn van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Het gemeentebestuur wil groei, groei van alles. Waar doet men hiervoor meer inspiratie op dan bij projectontwikkelaars en vastgoedondernemers die men niet op kantoor treft, maar op de Mipim-vastgoedbeurs in Cannes of onder NIROV-vlag in Dubai en Abu Dhabi? Het gesprek met bewoners van Kanaleneiland kan hier niet tegen op.
‘Marktpartijen’ acht men onmisbaar om de groei te bedenken en vorm te geven. Men moet hen daarom koesteren, hen de ruimte geven, voor hen een oogje dichtknijpen. Zij moeten ruim gefaciliteerd worden; dat verlangen ze trouwens ook.
Er zitten veel negatieve gevolgen aan vast. Het onderhoud van de stad en zijn voorzieningen wordt vooruitgeschoven. De biologische leefomgeving voor de burgers verslechtert. Ook in andere opzichten holt de leefbaarheid achteruit. Het draagvlak voor de groei brokkelt af. Maar voordat de Utrechters in opstand komen kunnen er nog wel enkele diep snijdende ingrepen gerealiseerd worden. Dat zal niet ongemerkt aan de Utrechters voorbijgaan, maar dat is een gevolg van het feit dat de sociale omgeving van het gemeentebestuur vooral bestaat uit ontwikkelaars, vermaaksondernemers en allerlei stadsparasieten, en vooral niet uit de burgers die hen op het pluche gekozen hebben.
Maar als alles meezit kunnen de negatieve gevolgen van het beleid later opgelost worden uit de toestromende middelen die het gevolg zijn van de alsmaar toenemende welvaart. Zo verwacht men.

 

De volksvertegenwoordiging wacht een loodzware taak

Het gemeentebestuur speelt roulette met de belangen van de stad en zijn inwoners. Hoewel er voldoende beleidsruimte is geeft het gemeentebestuur veel te veel ruimte aan ‘het vrije spel van de maatschappelijke krachten’, men ziet het aan en hoopt op een goede afloop. Zijn woorden moeten anders doen denken, maar het gemeentebestuur is stuurloos ten aanzien van de ontwikkelingen en heeft geen vat op het gemeentelijk apparaat. Met ernstige gevolgen voor de burgers.

 

Wil de nieuwe volksvertegenwoordiging iets voor de stad betekenen dan zal zij de hiervoor geschetste stand van zaken fundamenteel moeten aanpakken, niet in nederige onderworpenheid aan B&W, raadspresidium en het ambtelijk apparaat, maar in open debat met de belanghebbende bevolking, een debat met – lang niet vertoond – het karakter van wederkerigheid.

 

Het ter harte nemen van deze gedachten vergt van de raadsfracties dat ze het door de directeuren van gemeentelijke diensten al voor de verkiezingen geschreven concept-collegeprogramma (ten onrechte ‘De staat van de stad’ geheten), dat de nieuw gekozen raad krijgt uitgereikt, als ongewenst terzijde schuiven.
‘De staat van de stad’ wordt nooit aan een kiezersoordeel onderworpen. Het is een programma dat opnieuw wezenlijk niets anders zal inhouden dan het doortrekken van de hiervoor geschetste ontwikkelingen.

 

Reacties 

#1 Ria Tijmensen 2010-03-03 08:37

1. Dank voor uw inspanning: een verhaal met mooie elementen.
2. Wat ik mis: Utrecht zat jarenlang ‘op slot’. Dank zij (vooral) Leidsche Rijn is er weer ruimte. Ik vind het gemeentebeleid om de bestaande stadwijken met een zorgelijk eenzijdige bevolking (lage CES, veel allochtonen) te differentieren via gevarieerde woningbouw prima. In Leidsche Rijn is compenserende sociale woningbouw gepleegd. Ik vind met name Zuilen en Hoograven prachtig opgeknapt.
3. Het Stationsgebied wacht ik met spanning af. Enerzijds fijn dat er weer water door de hele singel gaat stromen en de Catharijnebaan vervalt. Anderzijds veel megalomane nieuwbouw…Tot zover mijn reactie, succes!

Quoting

Plaats reactie

Over de wijze waarop de Utrechtse gemeenteraad zijn taak vervult

 Burgers zoeken goede raad
Hoe adequaat functioneert de gemeenteraad? Omdat wethouders sinds 2002 geen deel meer uitmaken van de raad heeft hij nu vooral kaderstellende en controlerende taken. Met de gemeenteraadsverkiezingen voor de deur vroegen Utrechtse burgers zich of deze taken naar behoren uitgevoerd zijn, zodat het antwoord op deze vraag bepalend kan zijn voor hun uit te brengen stem.
De rol van de gemeenteraad, met name zijn kaderstellende en controlerende taak,  bij de uitbreidingsplannen van de stadsschouwburg werd ontrafeld als model voor andere belangrijke projecten.
Sinds 2007 zijn door het college van B&W allerlei plannen gelanceerd variërend van een complete nieuwe schouwburg op een andere locatie tot een ondergrondse uitbreiding van het huidige gebouw op het Lucasbolwerk in het vermaarde Zocherplantsoen.
Wij onderzochten hoe de raad op die plannen reageerde, of er discussie was over nut en noodzaak van een grotere schouwburg, over de financiële exploitatie en over de omgevingseffecten, waar burgers zich grote zorgen over maakten en hoe hij reageerde toen het college de raad fout inlichtte om een plan erdoor te krijgen.

De bevindingen over het functioneren van de raad zijn zorgwekkend: in zijn kaderstellende en controlerende taak ten opzichte van het college van B&W bleek hij ernstig tekort te schieten. Lees het relaas hieronder.
Verkeerde start

 

Op 29 februari 2012 maakte B&W bekend dat de stadsschouwburg uitgebreid moest worden. De Blauwe Zaal (‘vlakkevloerzaal’) moest ondergronds gaan en de vroegere ruimte van de Blauwe Zaal moest als horeca (‘feestzaal’) ingericht worden. In die brief en zijn bijlagen werd geen afwegingskader gepresenteerd, geen belangeninventarisatie en -afweging getoond.

In latere stukken is de leefomgeving van de burger alleen niet meer dan voorbijgaand vermeld. Er was geen onderzoek gedaan naar de effecten van het plan voor de omgeving. Evenmin was er een inventarisatie van betrokken belangen waardoor er ook geen belangenafweging gemaakt werd. Op de voorgenomen weg naar een bestemmingsplanwijziging heeft de omgeving geen enkele rol kunnen spelen. Dit was voor buurtbewoners, en – omdat het Zocherplantsoen een stedelijke functie heeft – voor nog veel meer burgers een slecht te verteren zaak.

Het bestemmingsplan is immers als een afspraak voor een zekere periode, een contract tussen het gemeentebestuur en de bevolking met betrekking tot de inrichting en het gebruik van de schaarse ruimte in de dichtbevolkte stad. Zonder planologisch-ruimtelijke visie en -onderbouwing is aan de raad voorgesteld dit contract open te breken, waarmee aan de betrokken belangen van de burgers voorbij werd gegaan. “Een ondergrondse zaal past niet in het bestemmingsplan. Een wijziging van het bestemmingsplan is noodzakelijk.” (zie “Feit 1”).

 

Het Comité Behoud Lucasbolwerk (CBL) had in juni 2008 al de toen voorliggende stukken grondig bestudeerd[1]:

–      het Haalbaarheidsonderzoek, vooral op het punt van de in de toenmalige raadsvergadering niet-besproken optie van ondergrondse uitbreiding van de stadsschouwburg, was gebrekkig onderbouwd;

–     de kostenraming schoot ernstig tekort, wat botste met de conclusie van haalbaarheid die B&W trok terwijl dat haalbaarheidsonderzoek zelf niet aan enige conclusie toekwam;

–      de tekst van het haalbaarheidsonderzoek houdt zonder conclusie gewoon ergens op.

De raad heeft op geen enkele wijze ooit op de brief gereageerd.

Het college verklaarde in 2008 expliciet dat het de exploitatie van een ondergrondse zaal geen reële kans van slagen gaf. (zie “Feit 2”). Mede om die reden koos het college voor een elders te bouwen nieuwe theaterzaal.

In 2012 leek de raad de beraadslaging van 2008 te zijn vergeten, anders zou de collegebrief van 29 februari 2012 aanleiding hebben moeten geven tot een stevige interpellatie; maar de raad liet dat achterwege, daarmee aan B&W ruimte gevend om veel geld aan een onhaalbaar idee uit te geven.

 

 

Foute informatie

Keer op keer laat de raad onvolledige en onjuiste informatie passeren. Hiervan noemen we drie voorbeelden.

1.    De brief van het college van 8 april 2008 aan de beide raadscommissies liet onvermeld dat het zogenoemde haalbaarheidsonderzoek naar aanleiding van de nota Een nieuw theater voor de stad (31 mei 2007), niet goed aansloot op de ontwikkelingsvarianten voor podiumkunsten in de genoemde nota. De nota van 2007 werd door B&W stilzwijgend gewijzigd en zo vervolgens gepresenteerd. Die wijziging betrof de bouw van een ondergrondse zaal. Omdat daarover in toelichting en presentatie van die raadsbrief niet werd gerept, mag worden gesteld dat dat nieuwe element in het onderzoek werd binnengesmokkeld. Maar de raad wijdde daaraan geen woord, kennelijk omdat men bijna unaniem voor een nieuw theater was.

2.    In de brief waarmee het plan voor de ondergrondse zaal op 29 februari 2012 aan de gemeenteraad werd gepresenteerd, werd gesteld dat de ondergrondse zaal een idee was van de op dat moment werkzame architect. B&W had de ondergrondse zaal echter al in 2008 aan de raad voorgelegd. Bij de behandeling in 2008 van de betreffende nota gaf B&W echter aan dat de ondergrondse variant qua exploitatie geen reële kans van slagen had. Door deze geschiedenis in 2012 uit te wissen (zie “Feit 3”) werd het eerdere negatieve oordeel van B&W over de exploiteerbaarheid van de ondergrondse zaal verdonkeremaand.

3.    Het gebied bij de stadsschouwburg waarvoor volgens B&W een wijziging van het bestemmingsplan nodig was, werd veel ruimer getekend dan op grond van de tekst nodig was. Dit maakte het mogelijk om in het kaartje van de beoogde bestemmingsplanwijziging de ondergrondse zaal aanmerkelijk groter te tekenen dan de grootte die de zaal op grond van de stukken moest hebben. Als ware het een deel van de ondergrondse zaal, zo werd er een tweede ondergrondse uitbreiding van de stadsschouwburg meegetekend, namelijk een opslagkelder in de bodem voor de toegangsdeur van de expeditieruimte. Die zou grenzen aan de ondergrondse zaal, en mogelijk met de ondergrondse zaal als één bouwwerk gerealiseerd worden.

Deze tweede ondergrondse uitbreiding van de stadsschouwburg werd in de stukken volledig verzwegen en “gewoon” meegesmokkeld in de raadsvoordracht. (zie “Feit 4”).

 

Begin 2012 werd, zoals gebruikelijk in stevige retoriek en met slim georkestreerde medewerking van de lokale media, het collegebesluit over uitbreiding onder het park wereldkundig gemaakt. Nut-en-noodzaak en een afwegingsproces kwamen in de berichtgeving niet aan orde, evenmin in het besluit zelf.

De bedoelde media waren nota bene eerder geïnformeerd dan de raad.

Tussen de regels was als boodschap te lezen dat B&W tot de ondergrondse uitbreiding van de stadsschouwburg had besloten en dat het besluit slechts na een formalistische omweg langs de raad ook zou worden uitgevoerd. Daarmee werden burgers en raadsleden geïnformeerd over wat zij moesten verwachten, c.q. wat van hen verwacht werd.

Voor de raad zou er genoeg reden moeten zijn om B&W na ontvangst van hun brief van 29 februari 2012 direct op het matje te roepen. De brief ging immers volledig voorbij aan de eerdere vaststelling van het college dat het uitbreidingsplan qua exploitatie onrealistisch was. Verder gaf de brief geen enkel inzicht in de noodzaak en de haalbaarheid van het plan, waarvoor men de bescherming van het bestemmingsplan – waarvan de inkt nog nat was – terzijde wou schuiven.

De raad deed echter niets, helemaal niets.

 

 

Ook verder laat de raad de ontwikkelingen op zijn beloop

 

De raad die pro forma zelf zijn agenda bepaalt, liet de brief van B&W gewillig op de vergaderagenda (van de raadscommissie van 10 april 2012) zetten. Voor een verzoek de brief in te trekken waren op dat moment al redenen te over:

–      de vervalsing van de voorgeschiedenis (aan ongeveer 20 zittende raadsleden bekend),

–      de breuk met het eerder overeengekomen beleid,

–      een ontbrekende verankering in enig beleidsprogramma,

–      een ontbrekende nut-en-noodzaak-paragraaf,

–      het omzeilen van het gewenste draagvlak onder Utrechters,

–      een inventarisatie van betrokken belangen en een belangenafweging,

–      een schets van de omgevingseffecten,

–      een schets van risico’s op allerlei gebied,

–      een deugdelijk exploitatie- en investeringskostenoverzicht en

–      een voorstel m.b.t. de plaatsing van het plan in het begrotingskader.

De raad liet dit op zijn beloop, voegde zich zonder mopperen in de marsroute die voor hem werd uitgezet en gaf B&W daarmee de ruimte om voorbarig allerlei plan- en propagandakosten te maken die bij een gedegen aanpak niet nodig zouden zijn geweest.

 

Gedurende elf maanden, tot 29 januari 2013 (raadscommissievergadering) heeft de raad het plan met betrekking tot de ondergrondse zaal laten voortsudderen.

In die 11 maanden kon – niet gestoord door de raad – B&W op allerlei manieren aan de lastigheden op de weg naar realisatie van zijn idee voorbijgaan door:

–     deze lastigheden te negeren, er niet over te praten (bijv. risico’s in de ondergrond, technische uitvoering van vluchtwegen), niet in te gaan op opmerkingen daarover,

–     semantische trucs toe te passen (bijv. de omzetting van de bestaande Blauwe Zaal in horecaruimte en het bouwen van de ondergrondse zaal afdoen als het verplaatsen van de blauwe zaal aan te merken),

–     het doorschuiven van vrijwel alle wezenlijke elementen naar een moment in de procedure waarvan terugkeer niet mogelijk is (bijv. het zogenoemd stedenbouwkundig programma van eisen vrijwel zonder eisen opleveren, met in plaats daarvan de toezegging het nodige ‘later’ alsnog te onderzoeken),

–     het debiteren van eenvoudige postulaten, stellingen zonder bewijs, in plaats van onderbouwingen en bewijs te leveren (bijv. stellen dat slechts een iets grotere capaciteit van de blauwe zaal en de uitbreiding van de horecafunctie van de stadsschouwburg, ondanks de hogere exploitatielasten een beter exploitatieresultaat zou geven).

In commissievergaderingen en op raadsinformatieavonden werden door raadsleden welwillend-kritische vragen gesteld, dan wel werd de loftrompet gestoken over het gepresenteerde idee. (Zonder over deugdelijk materiaal te beschikken had de wethoudersfractie zich al in een pril stadium daarmee verbonden.)

Individuen en groeperingen deden bij herhaling onderbouwd mededeling van hun kritische standpunt. Van de zijde van de raad ontvingen zij daarop geen reactie of vraag, afgezien van enkele opmerkingen uit de losse pols in de marge van een tweetal raadsinformatieavonden.

Tegen de tijd dat het raadsvoorstel behandeld werd nam het Comité zelf initiatief, zocht enkele raadsleden op en informeerde hen over de inhoud en impact van eerder door het Comité aan de raad gestuurde stukken.

 

 

Om en over burgers heenlopen. De raad grijpt niet in.

 

De stukken die aan de raad gepresenteerd werden vertoonden veel hiaten:

–    er was geen omgevingseffectonderzoek verricht,

–    een planologisch-ruimtelijke visie en -onderbouwing ontbrak en

–    van een inventarisatie en afweging van de betrokken belangen van buurtbewoners en gebruikers van het park bleek niets.

Het bestemmingsplan (contract met de burgers) dat juist één maand voor de brief van 29 februari 2012 onherroepelijk was geworden, zou zonder nadere discussie, enkel op grond van de constatering dat het de ondergrondse zaal hinderde, ad hoc opengebroken dienen te worden.

Op publieksinformatieavonden, ook bezocht door leden van bijna alle fracties, werden de door het publiek geuite bedenkingen door ambtenaren of ingehuurde externen vrijwel zonder kracht van argument als niet-realistisch aangemerkt. Of ze werden geparkeerd in een vaag ‘dat-zoeken-we-nog-uit’-traject, waarvan niets meer vernomen werd. Burgers voelden zich in het geheel niet gehoord, dat terwijl de gemeente Utrecht bij herhaling verklaart dat ‘bewonersparticipatie’ en ‘co-productie’ hoog op de beleidsagenda staan. Het gevoel overheerste dat de informatieavonden slechts dienden om te kunnen verklaren dat de burgers een inbreng hadden gehad.

De wijze waarop de Utrechtse burgers feitelijk bejegend werden geeft geen pas, maar daaraan werd door de raad voorbijgegaan. Zou de raad draagvlak onder de Utrechters van belang geacht hebben, dan zou de raad B&W duidelijk gemaakt hebben dat het onderwerp pas behandeld zou worden als er een correcte raadpleging van belanghebbenden had plaatsgevonden en dat het ongepast is antwoorden naar een onbekende toekomst te schuiven.

 

 

Te elfder ure gestelde vragen en vragen die de raad nooit stelde

 

In de raadscommissievergadering van 29 januari 2013 was het voorstel aan de orde gesteld om het plan verder uit werken (uitlopend in een investeringsbeslissing) en de weg naar wijziging van het bestemmingsplan in te slaan. Toen pas begon de raad te reageren.

Kritische vragen van CDA, PvdA, SP en VVD domineerden de beraadslaging. GroenLinks was nog steeds ingenomen met het plan. De GroenLinks-wethouder van cultuur was welbespraakt aan het schutteren met zijn antwoorden en reacties; de PvdA-wethouder ruimtelijke ordening hield zich op de vlakte.

Nut-en-noodzaak-vragen kwamen ditmaal wel op tafel. De belangrijkste vragen hadden betrekking op de gebrekkige exploitatieopzet van de stadsschouwburg (de huurder van de beoogde ondergrondse zaal), het realiteitsgehalte van de vagelijk aangegeven investeringskosten en de rekening waaruit de gemaakte plankosten betaald zouden worden.

De omgevingseffecten echter kwamen vrijwel niet ter sprake. Ook de tegenstrijdigheid van het plan met het staande beleid m.b.t. openbaar groen en parken kwam in het geheel niet aan bod, evenmin als de toch al problematische verkeerssituatie. Ook de beoogde afbreuk aan de rechtszekerheid die het bestemmingsplan moet bieden en de belangenafweging en het kader daarvan kwamen niet aan bod.

Voorts werd niet ingegaan op het vanuit burgerperspectief onacceptabele gedrag van B&W, namelijk het op tal van punten debiteren van onwaarheden. Kennelijk tilde de raad daar niet zwaar aan, hoewel de burger dat anders ziet.

De burger zou niet op basis van goed vertrouwen, maar op basis van feitelijk gedrag op zijn overheid moeten kunnen vertrouwen. Waar de feiten het vertrouwen ondergraven gaat de legitimiteit van de overheid verloren.

 

De wethouder deed de toezegging de vele vragen waarop hij staande de vergadering geen antwoord had, alsnog per brief te beantwoorden. Die brief verscheen op 12 februari 2013, maar de antwoorden gingen nogal eens langs de strekking van de vragen heen en lieten een aantal punten onbesproken. De tevredenheid van de meeste raadsfracties over de brief was niet groot, zo werd vernomen.

Naar alle waarschijnlijkheid is er na die brief overleg geweest tussen enerzijds de cultuurwethouder (of eventueel meerdere collegeleden) en anderzijds vertegenwoordigers van een onbekend aantal fracties. Op 27 februari 2013 berichtte de PvdA-woordvoerder dat het raadsvoorstel voor de ondergrondse zaal van de agenda van de eerstkomende raadsvergadering was gehaald. Hij voegde er in een persoonlijke noot aan toe dat hij na een gesprek met de wethouder de indruk had overgehouden dat dat definitief zou zijn.

Kort daarna trok B&W het plan in.

De burgers die verontrust waren door de mogelijke uitbreiding van de stadsschouwburg kunnen tevreden zijn. Dat geldt dan de uitkomst van het proces. De wijze waarop de raad met het plan omsprong was echter verontrustend. Zie ook het feitenrelaas.

 

 

Instemmen of afwijzen op ‘gevoel’

 

In februari 2012 was het vertrekpunt een onuitgewerkt idee, met een in alle opzichten ontbrekende onderbouwing, dat haaks stond op de conclusie uit 2008 met betrekking tot de exploitatie.

Lopende het planproces werden naar gelang aard en kracht van tegendruk, allerlei elementen als fundering onder het gelanceerde idee geschoven, zoals de inpassing van een ondergrondse fietsenstalling, dat de bomen ontzien zouden worden en dat er van de ondergrondse zaal bovengronds niets te zien zou zijn.

 

De raad heeft kennelijk een werkwijze waarbij noch voor zichzelf, noch voor het college, noch voor de burgers duidelijk is welke de beoordelingskaders en –maatstaven zijn. Uit de gesprekken met vier fractievoorzitters bleek dat men het college zijn gang had laten gaan tot het moment waarop er een ontwerp-raadsbesluit voorgelegd werd dat consequenties zou hebben.

Onderweg naar dat moment zagen de raadsfracties het voorstel tot enige vorm komen en ontwikkelden zij geleidelijk aan een positief dan wel negatief gestemd “gevoel”, zoals drie van de vier voorzitters het uitdrukten. Vervolgens is men met vragen, vooral gericht op de elementen die in de stukken van B&W ontbraken, gaan zoeken naar bevestiging of falsificatie van dat gevoel. Op basis van de uiteindelijk overheersende indruk bepaalde men zijn positie. Daarbij speelde de leefbaarheid en de aantasting van het park geen enkele rol.

De uiteindelijk beslissende punten waren de als te groot beoordeelde financiële risico’s voor de gemeente en de overtuiging dat de zich steeds meer als horecabedrijf profilerende schouwburg, in een valse concurrentieverhouding raakte tot private zaalverhuurders en horecabedrijven.

 

Opgemerkt moet worden dat de documenten van B&W in belangrijke mate aan chauvinisme en andere onzakelijke gevoelens appelleerden (“Met de realisatie van een ondergrondse zaal met 285 stoelen komt er geen theaterzaal bij in Utrecht maar voegen we iets toe aan de culturele infrastructuur”), weinig feitelijk en gebrekkig of niet onderbouwd waren.

Het was voor de raad lastig om het voorstel te accorderen of af te wijzen zonder te beschikken over aanvaardbaar onderzoek en juiste argumenten. Dat leidde tot de neiging om te besluiten op basis van ‘gevoel’ en losjes geformuleerde toezeggingen van het college om dit-of-dat nader of anders uit te werken; toezeggingen die juridisch vrijwel niet afdwingbaar zijn.

Dit is een wijze van werken die in andere organisaties onacceptabel zou zijn en financiering onmogelijk zou maken. Waar het om het burgerbelang en de burgerportemonnee gaat zou de raad het gebrekkig functionerend college en de ambtenaren moeten bijsturen en moeten afdwingen dat gehandeld wordt volgens algemeen aanvaarde maatstaven van behoorlijk bestuur.

 

 

Als de raad zijn werk naar behoren zou doen ………….

 

De raad heeft zijn opdracht ingevolge de Wet dualisering gemeentebestuur niet naar behoren verricht en daardoor de Utrechters een slechte dienst bewezen. Hoewel het een enorme cultuuromslag inhoudt lijkt het ons niet onmogelijk dit structurele manco te verhelpen.

Met het oog op de belangen van de burgers die in het duale stelsel door de raad behartigd worden, zou de raad de touwtjes in handen moeten nemen, onder meer door:

–     kwaliteitseisen te stellen aan de voorstellen van B&W en daar de hand aan houden, wat onder meer moet inhouden dat B&W een goede verklaring geeft waarom voorstellen gedaan worden (o.a. een probleemstelling die de kloof tussen het bestaande en het gewenste behandelt),

–     een heldere afbakening van processtappen, die – anders dan in het nu besproken dossier stadsschouwburg – niet dwars door en over elkaar heenlopen, en daarop aansluitend een heldere en gefundeerde besluitvorming,

–     indachtig de controle-opdracht voor de raad en zeker nu (bepaald niet voor het eerst) gebleken is dat B&W de raad niet correct informeert, te zorgen voor effectieve ondersteuning van de raad, met aansturing door de raad zelf[2],

–     burgerparticipanten, insprekers e.d. veel eerder in de beleidsvormingsprocessen te horen dan tot dusver het geval is (eventueel door de raadsondersteuners), opdat de inbreng die er in kwaliteitsopzicht vaak veel toe doet, benutbaar wordt,

–     bij veel omvattende beleidsvormingsprocessen op meerdere punten met B&W tussendoor, maar zonder de druk van besluitvorming, de stand van zaken te bespreken,

–     te zorgen voor onderbouwde evaluaties die met recht evaluaties mogen heten.


Feitenrelaas plan ondergrondse zaal stadsschouwburg

 

 

Op 31 mei 2007 liet de gemeentedienst Stadsschouwburg een notitie het licht zien onder de titel Een nieuw theater voor de stad. In de notitie werden twee toekomstscenario’s behandeld: 1. Een nieuw theater met één zaal van 1.500 zitplaatsen en renovatie van de huidige schouwburg; 2. Een nieuw theater met drie zalen (1.500, 750 en 300 zitplaatsen) en herbestemming van de stadsschouwburg.

Bij brief van 12 juni 2007 informeerde B&W de raadscommissie Maatschappelijke Ontwikkeling over de notitie, stelde een haalbaarheidsonderzoek in het vooruitzicht en gaf aan in het voorjaar 2008 op het onderwerp te zullen terugkomen.

 

Op 20 mei 2008 behandelde dezelfde raadscommissie het Haalbaarheidsonderzoek Een nieuw theater voor Utrecht[3] van januari 2008. In een aan de behandeling voorafgaande brief van 8 april 2008 aan beide raadscommissies had B&W laten weten een voorkeur te hebben voor realisering van een nieuw amusementstheater en renovatie van de huidige stadsschouwburg[4]. De brief verzweeg echter dat het onderzoek niet goed aansloot op de scenario’s van 31 mei 2007. Er was namelijk een gewijzigde eerste variant onderzocht, waarbij de bouw van een ondergrondse zaal als nieuw element werd ingebracht. Omdat daarover in toelichting en presentatie niet werd gesproken kan men zonder bezwaar stellen dat dat nieuwe element in het onderzoek werd binnengesmokkeld.

De raadscommissie heeft in zijn bespreking aan deze onregelmatigheid geen aandacht geschonken. Overigens kwam de mogelijke ondergrondse uitbreiding noch in enige commissiebijdrage, noch in het vertoog van de wethouder voor. De voorzitter van de vergadering vatte aan het eind van de beraadslaging niet samen en trok geen conclusie. Niettemin bleek er vrijwel algemene overeenstemming ten aanzien van de vraag of er wel of niet een derde zaal gebouwd zou moeten worden. (De eerste en tweede zaal waren in deze visie de grote zaal en de blauwe zaal van de huidige stadsschouwburg.) Met uitzondering van de Groep Mossel, die een drie-in-één-variant voorstond, waren alle fracties voor het bouwen van een grote amusementszaal elders, waarbij de meeste fracties ook opteerden voor een locatie in nog te ontwikkelen centrum van Leidsche Rijn.

Hoewel de wethouder zich nog niet vastlegde omtrent de vraag of de locatie van de derde zaal Leidsche Rijn Centrum, het Stationsgebied Jaarbeurszijde of Paardenveld zou moeten zijn, gaf hij aan dat het college van mening was dat andere opties nauwelijks voorhanden zijn zonder een explosie in de kosten. Het college had alle initiatieven en ideeën goed bekeken en was van oordeel dat iets anders op het Lucasbolwerk qua exploitatie geen reële kans van slagen had. Om die reden zag het college de keuze voor een afzonderlijke theaterzaal, als eerste trechter in de besluitvorming.

 

In een notitie van juni 2008 (op 16 juni bezorgd bij de gemeenteraad) gaf het Comité Behoud Lucasbolwerk (CBL), dat de hand had weten te leggen op het niet openbaar gemaakte Haalbaarheidsonderzoek, met argumenten aan dat het Haalbaarheidsonderzoek, vooral op het punt van de niet-besproken optie van ondergrondse uitbreiding van de stadsschouwburg gebrekkig onderbouwd was en de kostenraming ernstig tekortschoot, hetgeen botste met de conclusie van haalbaarheid die B&W (en in het kielzog daarvan kennelijk ook de raad) trok omdat het rapport zelf niet aan een conclusie toekwam. Hoewel de notitie door de toezending deel werd van het bestuurlijk dossier heeft die in het geheel geen aandacht gekregen.

De brief werd in de raadsvergadering van 4 september 2008 “voor kennisgeving” aangenomen.

 

In de vergadering van de commissie Stad en Ruimte van 25 juni 2009 stelde GroenLinks aan de orde dat er op pagina 16 van de voorjaarsnota werd gemeld dat er een derde zaal van de stadsschouwburg op het Lucasbolwerk zou komen. De fractie vroeg of het college kon garanderen dat er niet in of onder het monumentale park gebouwd zou worden.

De wethouder, inmiddels niet meer van GroenLinks maar van de VVD, antwoordde dat voor een derde schouwburgzaal verschillende scenario’s denkbaar zijn, maar dat er nog geen besluit over gevallen is.

GroenLinks sprak vervolgens de hoop uit dat de derde zaal niet op of onder het Lucasbolwerk zou komen. De wethouder herhaalde dat het college van de verschillende visies kennis had genomen en dat als er over het onderwerp een besluit is genomen de raad geïnformeerd zal worden.

 

Daarna, in oktober 2009, rapporteerden het ingeschakelde ingenieursbureau DHV en de Gemeente Utrecht gezamenlijk over de verbouwingsvariant 1a in het Haalbaarheidsonderzoek (verbouwing zonder dakverhoging)[5].

 

“Binnen scenario 1 zijn drie varianten benoemd voor de renovatie van de Blauwe Zaal: variant 1a

verbouwing zonder dakverhoging, variant 1b verbouwing met dakverhoging en variant 2 waarbij een

nieuwe kleine zaal wordt gerealiseerd onder het Zocherplantsoen vóór de Stadsschouwburg Utrecht.

Het college van B&W heeft een voorkeur uitgesproken voor scenario 1 en gaf de opdracht nader

onderzoek te doen naar de locatiekeuze voor het nieuwe theater met één zaal en de renovatie van de

huidige schouwburg nader uit te werken. Hierbij dient variant 1a uit het onderzoeksrapport te worden

geactualiseerd en dienen de verbouwingswerkzaamheden te worden gefaseerd. Ruwweg dient in de

eerste fase de Blauwe Zaal, incl. bijbehorende ruimten, het entreegebied (kassa en receptie) en de

kantoren te worden gerenoveerd. In de volgende fase wordt de Grote Zaal verbouwd. Met deze tweede

fase kan pas worden gestart na realisatie van een nieuw groot theater op een nog nader te bepalen locatie in de gemeente Utrecht.” (Blz. 2.)

 

Op 4 februari 2010 besprak de raadscommissie Mens en Samenleving een voorstel van B&W dat luidde:

  1. Op basis van de rapportage ‘Schouwburg XL. Een nieuw theater voor Utrecht, afronding haalbaarheidsonderzoek’ en de notitie ‘Schouwburg XL in Leidsche Rijn’ voor de vestiging van Schouwburg XL uw voorkeur uit te spreken voor de locatie Leidsche Rijn Centrum;
  2. In te stemmen met de uitwerking in de Definitiefase van de nieuwbouw Schouwburg XL en de renovatie van de Stadsschouwburg Utrecht en
  3. De realisering en de financiering van de plannen te betrekken bij de voorstellen in het kader van de komende voorjaarsnota’s en programmabegrotingen.

 

De beraadslaging bestreek vele, zo niet alle denkbare aspecten van het theaterbeleid en toonde veruit lopende visies van de verschillende fracties. De voorzitter constateert uiteindelijk dat de commissie van mening is dat de raad dit na de verkiezingen van 2010 zou moeten behandelen, en rondde de bespreking af.

 

Vervolgens waren er raadsverkiezingen die gevolgd werden door een coalitie-akkoord dat vermeldt:

 

“Utrecht heeft een bruisende cultuur, zowel in de oude als in de nieuwe stadsdelen. We investeren daarom in een culturele trekker van formaat in Leidsche Rijn Centrum met een grote zaal van schouwburgformaat en zogenaamde 7 x 16 uur voorzieningen. We maken wel het voorbehoud, dat een fors deel van het voorziene exploitatietekort via publiek-private samenwerking wordt opgelost.” (Blz. 14.)

 

Op 1 januari 2012 werd de stadsschouwburg verzelfstandigd na voorafgaande beraadslagingen waarin de toekomst van de stadsschouwburg onder een aantal gezichtspunten werd doorgenomen en de bestuurlijke verhouding tot de gemeente Utrecht werd geregeld alsook een ‘bruidsschat’ werd afgesproken. De stadsschouwburg was niet langer een gemeentedienst; hij werd  in een stichting ondergebracht en raakte ver weg van de controle door de raad. De gemeente werd verhuurder van stadsschouwburglocatie en de stadsschouwburg huurde deze.

Het park dat voor en naast de stadsschouwburg ligt behoorde niet tot het gehuurde.

 

Het is bestuurlijk stil tot 29 februari 2012, het moment waarop B&W de raadscommissies confronteert met een koers die verrassend aansluit bij de in het Haalbaarheidsonderzoek Een nieuw theater voor Utrecht (januari 2008) gesmokkelde optie van de ondergrondse uitbreiding van de stadsschouwburg, waar raad en raadscommissies zich nog nooit over gebogen en uitgesproken hadden.

 

(“Feit 3”). B&W geeft in zijn brief voor dat het plan voor de ondergrondse schouwburgzaal ontsproten was aan het brein van architectenbureau Van Hoogevest, welk bureau het ingenieursbureau DHV, dat kennelijk de deur gewezen was, was opgevolgd.

Door de jaartelling van dat plan bij het aantreden van Van Hoogevest te laten beginnen leidt B&W de aandacht af van de voorgeschiedenis, waarin al keuzen gemaakt waren en enkele toezeggingen werden gedaan.

Geen enkele van de ongeveer 20 raadsleden die het voorafgaande persoonlijk hebben meegemaakt trekt aan de bel en de nieuwe raadsleden kijken niet in het raads- of fractie-archief, of althans maken van de bevinding geen probleem. Men voegt zich naar de aanpak van B&W.

B&W constateert in zijn brief dat het plan botst met het bestemmingsplan, maar in plaats van een onderbouwde afweging concludeert B&W kortweg: “Een ondergrondse zaal past niet in het bestemmingsplan. Een wijziging van het bestemmingsplan is noodzakelijk.” Ook in latere stukken van B&W krijgt dit niet meer reliëf.

Men moet dit geplaatst zien tegen de achtergrond van het bestuurlijk-juridisch feit dat vanwege het zeer ruime mandaat dat B&W heeft, het college zijn gang kan gaan en alleen van de raad een fiat nodig heeft op de punten van de bestemmingsplanwijziging en het investeringsbudget.

 

(“Feit 1”). Op 12 april 2012 wordt het voorstel voor de ondergrondse uitbreiding van de schouwburg in de commissie besproken. De commissie toont zich op onderdelen welwillend kritisch en heeft in het geheel geen aanmerking op de bedenkelijke gang van zaken. Ook wordt nagenoeg niet stilgestaan bij de eventuele fundering van de in de brief van 29 februari 2012 door B&W gedane uitspraken en getrokken conclusies, die vergaande consequenties hebben voor de toekomst van het stadspark Zocherplantsoen ter plaatse van het Lucasbolwerk. Ook klinkt niets door van de bezorgdheid en kritiek die belangengroeperingen op de raadsinformatieavond (en in aansluiting daarop per brief) geuit hadden. Vooral het Comité Behoud Lucasbolwerk heeft een lange lijst van risico’s en verborgen kosten in beeld gebracht[6].

De woorden ‘park’, ‘groen’, ‘openbaar groen’, ‘aantasting’, ‘bescherming’ zijn zelfs niet gebruikt. De term ‘randvoorwaarden’ is alleen door GroenLinks gebezigd in verband met de zo gevoelde opdracht na te gaan of “het voorstel realistisch is met de gestelde randvoorwaarden”.

Waar Groenlinks precies op doelde is onhelder, daar het College in zijn raadsbrief van 29 februari 2013 geen “randvoorwaarden” formuleerde.

 

In deze raadsbrief gaf het college aan dat het niet vanzelfsprekend is dat bijdragen in de exploitatie aangewend worden voor de investering zelf, maar dat dit wel een voorwaarde is om de ondergrondse zaal binnen het beschikbare budget te kunnen realiseren. Voorts gaf het college aan dat het nog niet duidelijk is of een ondergrondse theaterzaal tegelijkertijd met een ” ondergrondse parkeergarage” gerealiseerd kan worden, dit vanwege de noodzakelijke bereikbaarheid van de Stadsschouwburg.” Dit wordt verder onderzocht met de bereikbaarheid van de Stadschouwburg Utrecht als harde voorwaarde.”

In de raadsbrief van 5 april 2012 gaf de wethouder nog aan dat de aannemer voorafgaand aan start van de bouw harde randvoorwaarden over toevoerwegen, bouw en opslagruimte meekrijgt en verder dat zorgvuldig handelen voor het plantsoen uitgangspunt en randvoorwaarde tijdens de bouw is.

 

In de vergadering gaf de wethouder aan dat binnen het budget blijven een hard “criterium” is.

Verderop in de vergadering gaf GroenLinks eigen randvoorwaarden aan:

(1) het plan moet passen binnen de financiële kaders van de Voorjaarsnota zoals die is vastgesteld voor de renovatie van de Blauwe Zaal,

(2) het is van belang wanneer daar toch iets in de grond gedaan wordt tegelijkertijd de ontwikkeling van de fietsenstalling daarin mee te nemen en dat als het ware in een plan en in één procedure met één financieel verhaal op de markt brengen met één aanbesteding en met één aannemer. Zijn fractie vindt dat erg belangrijk.

(3) In het toekomstige project zal zeer zorgvuldig omgegaan moeten worden met het betrekken van de bewoners bij de planontwikkeling, en vooral ook bij de realisatie en de uitvoering ervan.

 

De voorzitter concludeerde:

 

“dat de raad richting de zomer de planning zal vernemen voor dit hele proces. Dan zal zoveel mogelijk besluitvorming in één beweging gemaakt worden. Daarbij gaf de wethouder aan dat de randvoorwaarden wat hem betreft hard zijn. Daarop heeft de commissie ook aangedrongen. De voorgenomen kleine zaal past binnen het podiumplan. Dat is daarvan geen uitbreiding. Na deze eerste consultatie zal een gebruikelijke volledige ronde van participatie volgen zoals met ruimtelijke projecten gebruikelijk is. De voorzitter concludeert dat daarmee deze brief uitgebreid is behandeld. Hij rondt hiermee de behandeling af.[7]

 

Het verslag van de beraadslaging in aanmerking nemend is het allerminst helder op welke randvoorwaarden de voorzitter in zijn conclusie doelde.

 

 

Op 14 mei 2012 verscheen de planning waaruit blijkt dat pas na de beoogde start-beslissing van de gemeenteraad onderzoek gedaan wordt naar allerlei zaken die randvoorwaardelijk voor de beslissing zijn. Voorts blijken diverse andere (rand)voorwaardelijke elementen als aangeroerd in de raadsbrieven van 29 februari en 5 april 2012 alsook in de beraadslaging van de raadscommissie op 12 april 2012 niet in de planning voor te komen.

 

Op 4 juni 2012 stuurde B&W aan de beide raadscommissies (daarmee aan de raad) een brief waarin de kernpassage als volgt luidde:

 

“Op 4 juni 2012 heeft het college besloten het voorstel een ondergrondse zaal bij de Stadsschouwburg

Utrecht verder uit te werken als een betere variant dan een verbouwing van de huidige Blauwe Zaal. Het

college is van mening dat een eerste informatie- en consultatieronde met omwonenden heeft

uitgewezen dat er draagvlak is voor een ondergrondse theaterzaal. Met dit besluit wordt de

planprocedure voor een ondergrondse zaal in werking gezet.

Op dit moment wordt de haalbaarheid van een ondergrondse fietsenstalling bij de Stadsschouwburg

Utrecht in het Zocherplantsoen onderzocht. Indien haalbaar wordt op uitdrukkelijk verzoek van uw

raad een voorstel voor een ondergrondse zaal gelijktijdig met de ondergrondse zaal in procedure

gebracht voor een noodzakelijke wijziging van het bestemmingsplan. Het zijn echter twee

afzonderlijke projecten met gescheiden financiering. Indien een ondergrondse fietsenstalling niet

haalbaar blijkt zal deze uit de procedure worden gehaald.[8]

 

Opmerkelijk was dat B&W geen argumentatie gaf voor de uitspraak dat een ondergrondse zaal bij de stadsschouwburg een betere variant is dan het verbouwen van de Blauwe Zaal.

De mening van B&W dat er onder omwonenden draagvlak voor de ondergrondse zaal is, vindt geen grond in het verslag van de op 15 maart 2012 gehouden informatieavond, die door B&W consequent consultatiebijeenkomst werd genoemd. Allereerst zijn de meningen niet gepeild en er is slechts één persoon, zich vakgenoot van de ontwerpers noemend, die zich waarderend over het initiatief uitspreekt[9].

De uitspraak van B&W dat de raad uitdrukkelijk verzocht heeft een fietsenstalling tegelijk met de ondergrondse zaal in procedure te brengen steunt blijkens het verslag alleen op een dergelijk verzoek van het GroenLinks-raadslid Ravesteijn en de samenvatting van diens partijgenoot de vergadervoorzitter[10].

 

De brief van B&W bevatte nog een interessante passage:

“Bij de bespreking van de commissiebrief met de raadscommissie Mens en Samenleving heeft het

college aangegeven dat de gestelde randvoorwaarden hard zijn: geen zichtbare aantasting en géén

risico’s voor het Zocherplantsoen na realisatie en realisatie binnen het beschikbare financiële kader.

Het college is van mening dat de risico’s beheersbaar zijn. Er is uitgebreid en zorgvuldig gekeken naar

de bouwtechnische risico’s, risico’s voor het Zocherplantsoen en haar monumentale bomen, de risico’s

voor het Dudok monument, het archeologische bodemarchief en de financiële haalbaarheid. De

ondergrondse zaal is te realiseren binnen het beschikbare budgettaire kader. Bij het vaststellen van het

Definitief Ontwerp van de ondergrondse zaal wordt een kredietaanvraag met gedetailleerde begroting,

een second opinion daarop en de dekking van deze bedragen aan de raad voorgelegd.[11]

We zullen verderop zien wat hiermee gebeurde.

 

In augustus 2012 verscheen het document Stedenbouwkundig Programma van Eisen: Uitbreiding Stadsschouwburg en fietsenstalling, met bijgevoegd de documenten:

–        Verkenning Ondergrondse Fietsenstalling Lucasbolwerk, Gemeente Utrecht, 28 augustus 2012;

–        Fietsparkeren omgeving Stadsschouwburg, Goudappel Coffeng, 20 juni 2012;

–        Sectie-indeling telling gestalde fietsen, zonder auteur en datum.

Het Stedenbouwkundig Programma van Eisen heeft geen verankering in de rijksregelgeving maar komt voort uit de gemeentelijke beleidsvormingspraktijk.

 

Het project moet voldoen aan de eisen uit de Wet Bodembescherming, Wet milieubeheer, Besluit m.e.r., “brandweereisen”, zo vertelde het SPvE.

Verder sprak het SPvE over de “Algemene functioneel/ruimtelijke randvoorwaarden”

– dat het dak van de ondergrondse zaal en van de fietsenstalling moet een juiste ‘verkeersklasse’

als belasting mee moet krijgen en de belasting door de grond en van evenementen moet kunnen dragen;

– dat de aardlaag boven het dak met het oog op de grasmat een specifieke dikte moet hebben;

– dat de fietsenstalling en de schouwburg niet directe verbonden worden.

Goed beschouwd ging het hier om constructie-eisen.

Verder werden “technische randvoorwaarden” genoemd die alle nog uitgewerkt moesten worden en daardoor niet concreet waren: bouwproces, logistiek, voorkomen van schade aan het plantsoen, bouwplaatsinrichting, bouwfasering, bereikbaarheid, verkeer, schadepreventie gebouwen, voorkomen van schadelijke trillingen en verzakkingen.

Tenslotte moest voldaan worden aan de wettelijke en gemeentelijke beleidseisen met betrekking tot milieu, archeologie, bodem, luchtkwaliteit, flora en fauna, milieuhinder, milieu-effectrapportage, energie en duurzaamheid, bomenbescherming (inclusief het verwijderen van bomen), cultuurhistorie en archeologie.

De titel van het document (Stedenbouwkundig Programma van Eisen) werd met zijn inhoud in het geheel niet waargemaakt. Opmerkelijk was dat het SPvE niet inging op en inhoudelijk ook voorbijging aan de eerder ontvangen kritiek.

 

Het Stedenbouwkundig Plan van Eisen (SPvE) en de bijgevoegde documenten stonden centraal in de “Informatie-bijeenkomst ondergrondse fietsenstalling Lucasbolwerk” die voor een klein aantal ingezetenen, belanghebbenden (waaronder een aantal raadsleden) op 29 augustus 2012 in de Stadsschouwburg gehouden werd. Het SPvE werd toegelicht en er bestond gelegenheid voor het stellen van vragen. Wie schriftelijk wou reageren had daarvoor nog ruim 2 weken de tijd.

Voor zover bekend hebben Comité Behoud Lucasbolwerk (CBL) en de Studentenvereniging Unitas S.R. binnen die termijn reacties ingestuurd. CBL bracht zijn reactie ook ter kennis aan de Raad.

 

Op 19 september 2012 vond er andermaal een informatiebijeenkomst rond het SPvE in de stadsschouwburg plaats, ditmaal onder een iets uitgebreidere titel: “Informatiebijeenkomst Stedenbouwkundig Programma van Eisen uitbreiding Stadsschouwburg Utrecht en fietsenstalling.” Op de agenda stonden Toelichting op het SPvE, Toelichting op de ondergrondse zaal in het SpvE en Toelichting op fietsparkeerprogramma en het vervolgtraject.

In de voordrachten werd aangegeven dat werd voldaan aan de gestelde randvoorwaarden: “het bouwvlak ligt buiten de kroonprojecties van de meest waardevolle bomen, en een kaartje met de randvoorwaarden voor de bovengrondse situatie: bijna dezelfde tekening als de eerste, maar dan met een “P” die alleen als aanduiding dient voor het zoekgebied van de entree tot de fietsenstalling en geen ontwerpoplossing is[12]”.

Hoewel dat niet in het (ditmaal door een gemeentefunctionaris gemaakte) verslag is terug te vinden stelden alle sprekers van en namens de gemeente dat diverse aspecten van het initiatief nog uitgewerkt dienden te worden. Bij elkaar waren dat er vele.

 

In de bijeenkomst vond nog een opmerkelijk incident plaats.

Namens CBL werd aan de betrokken architect-partner van Van Hoogevest de naam van de constructeur gevraagd. Die zei hij niet te weten. Redelijkerwijs zou hij die naam moeten weten, want als er een constructeur aan het werk geweest was (waar een managementbeslissing aan ten grondslag ligt) dan had Van Hoogevest daarmee zeker tientallen malen contact gehad. Na een kwartiertje waarin gebeld werd kwam er toch een naam op tafel.

In de daarop volgende dagen werd door CBL geverifieerd of deze constructeur inderdaad voor het onderhavige project aan het werk was geweest. Dit bleek niet het geval.

 

Vervolgens was het bestuurlijk weer een poosje stil.

 

In december 2012 stuurde B&W aan de raadscommissie Stad en Ruimte het ontwerp-raadsvoorstel 12.090527 inzake de vaststelling van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen ondergrondse theaterzaal Lucasbolwerk en het starten met de procedure tot opstellen van het bestemmingsplan Lucasbolwerk.

Als argumenten werden aangevoerd:

  1. Het SPvE is nodig als kaderstelling voor het ontwerp en realisatie van een ondergrondse zaal
  2. De ontwikkeling van een ondergrondse theaterzaal is een betere variant dan een renovatie van de Blauwe Zaal.
    1. Omwonenden en betrokkenen zijn geconsulteerd.
    2. Het initiatief is economisch uitvoerbaar.

Als kanttekeningen werden aangegeven:

–      Het Zocherplantsoen en de Stadsschouwburg zijn Rijksmonumenten.

–        De wethouder Cultuur heeft aan de raadscommissie M&S aangegeven dat de realisatie van een ondergrondse theaterzaal niet mag leiden tot zichtbare elementen in het Zocherplantsoen.

–        De risico’s voor de monumentale bomen, het archeologische bodemarchief zijn onderzocht en beheersbaar.

–        De bouwtechnische risico’s van een ondergrondse zaal die ondergronds verbonden is met de Stadsschouwburg Utrecht zijn onderzocht en zijn naar de mening van experts beheersbaar.

 

De raad stelde het voorstel aan de orde op de raadsinformatieavond van 8 januari 2013.

Van raadsinformatieavonden worden geen ordentelijke verslagen gemaakt. Insprekers wordt weliswaar gevraagd om hun bijdrage digitaal of schriftelijk aan te leveren. Verplicht is het echter niet. De bijdragen voor zover ingeleverd worden op de gemeentelijke website gezet, in een aantal gevallen echter met het onleesbaar maken van stukken tekst uit het openbare document, welke stukken zelf ook weer uit openbare documenten komen[13]. In het geval van de insprekers, t.w. studentenvereniging Unitas alsook CBL, werden andere, oudere teksten (van oktober 2012) op de website geplaatst, die beide nooit op een raadsinformatieavond aan de orde zijn geweest.

Het is moeilijk voorstelbaar dat dit een vergissing is geweest omdat voor het plaatsen van twee verkeerde teksten een niet-relevante archiefmodule geopend moest worden, in plaats van dat de bijlagen uit twee kakelverse e-mails werden gebruikt. Van de verkeerde, maar openbare teksten waren delen van de tekst onleesbaar gemaakt.

Van de na de inspreekvoordrachten gedane uitspraken, gegeven toelichtingen, gestelde vragen, gegeven antwoorden, enzovoort, werden slechts een willekeurige selectie in een zeer summier verslagje op de website geplaatst. Daardoor waren niet-aanwezigen, waaronder het merendeel van de raadsleden, genoodzaakt om zich voornamelijk te baseren op ‘van horen zeggen’.

Opmerkelijk is dat geen enkel raadslid of fractiemedewerker zich tot Unitas of CBL heeft gewend met vragen over de plaatsing op de website van oudere teksten, die ook niet ingingen op het voorliggende ontwerp-raadsvoorstel. De gedachte dringt zich op dat de raad in elk geval voor wat betreft het project in kwestie geen gebruik maakte van de stukken de op de pagina’s van de raadsinformatieavond zijn geplaatst,

 

Het commentaar van CBL op het SPvE was te veelomvattend om dat op de raadsinformatieavond naar voren te brengen. CBL gaf daarom in zijn bijdrage aan de avond aan de volgende dag met een meer uitgewerkte tekst te verschijnen[14]. Deze tekst is aan alle raadsleden verzonden.

In het beargumenteerde en documentair onderbouwde commentaar op het SPvE werd onder meer vastgesteld dat het fundamentele ontwerp op basis waarvan de bouwwijze, de fasering van het bouwproces, logistiek, risico-inventarisaties en risicokosten-calculaties worden bepaald, nog gemaakt moest worden (- daarvoor worden de diensten van de constructeur ingeroepen -). Tot op dat moment waren alleen de ontwerpenschetsen van de architect beschikbaar.

De uitspraak van Van Hoogevest op de informatiebijeenkomst van 15 maart 2012, namelijk dat nog uitgedacht moest worden hoe de ondergrondse zaal constructief met de bestaande bouw verbonden moest worden[15], werd gememoreerd. Aangegeven werd dat een half jaar later, op 19 september 2013, er nog geen constructeur aan het werk geweest was. Het commentaar stelde dat het tegen de achtergrond van afwezigheid van de constructeur ongeloofwaardig was dat B&W op 4 juni 2012 met recht kon zeggen dat risico’s van allerlei aard beheersbaar zouden zijn, de ondergrondse zaal na realisatie geen zichtbare elementen zou hebben en dat realisatie binnen het beschikbare financiële kader zou kunnen plaatsvinden. Men wist toen (tot aan het beëindigen van het project) onvoldoende hoe geconstrueerd en gebouwd moet worden.

 

In de raadscommissievergadering van 29 januari 2013 waren er in overwegende mate kritische vragen en opmerkingen.

Slechts twee fracties, GroenLinks en De Stadspartij Leefbaar Utrecht, stemden in met het plan en gaven aan dat het als hamerstuk in de voltallige raad aan de orde gesteld kon worden. De SP verklaarde zich tegen het plan. De Christenunie en de Groep Kuijper (nu GroenRechts geheten) hadden zich niet in de beraadslaging gemengd en namen ook geen standpunt in. De fracties van het CDA, D’66, de VVD en in mindere mate de PvdA hadden (net als de SP) de wethouders met kritische vragen het vuur aan de schenen gelegd en behielden tot het einde een kritische opstelling. De voorzitter concludeerde dat het onderwerp een discussiepunt werd voor de raadsvergadering van 28 februari 2013.

 

Het is interessant te bezien hoe juist GroenLinks en de Stadspartij Leefbaar Utrecht, die verklaarden dat het plan een hamerstuk zou zijn, aan de beraadslaging bijdroegen.

Beide gaven in de opening van hun eerste termijn al aan achter het plan te staan.

 

GroenLinks gaf aan ingenomen te zijn met de uitbreiding van het aantal zalen, maar de wethouder stelde in zijn antwoordtermijn dat er geen uitbreiding van zalen was, alleen een verplaatsing.

GroenLinks stelde een aantal vragen waarvan niet duidelijk was of deze al dan niet voorwaardelijk waren voor steun aan het plan.

  • Monumentale en beeldbepalende bomen mogen geen gevaar lopen. De wethouder werd gevraagd of hij dit kon toezegging. Daarop kwam van de wethouder een procedure-antwoord, geen waarborg.
  • In verband met het beperken van overlast werd de vraag gesteld of de bouw “buiten het seizoen” kon plaatsvinden. Ook hierop kwam geen toezegging, maar een procedure-antwoord.
  • Omdat er bij omwonenden zorgen over het bouwverkeer en de inrichting van de bouwplaats zijn werd de wethouder gevraagd per commissiebrief te informeren over hoe deze zorgen weggenomen kunnen worden. Ook hierop kwam geen toezegging, maar een procedure-antwoord.
  • De fractie zou graag weten hoe ervoor wordt gezorgd dat fietsers hun weg kunnen vervolgen en hoe gezorgd wordt dat het onlangs heringerichte Lucasbolwerk netjes blijft. Daarop kwam in het geheel geen antwoord.
  • De vraag werd gesteld hoe het college aankijkt tegen gebruik van de stadsschouwburg tijdens de bouw van de ondergrondse zaal. Daarop volgde een procedure-antwoord.
  • In de definitieve situatie mogen er geen zichtbare elementen van de ondergrondse zaal in het park zijn. De wethouder werd om een toezegging gevraagd. Daarop kwam geen antwoord.
  • In de omgeving zijn er problemen rond het stallen van fietsen. Het is belangrijk dat gezocht blijft worden naar oplossingen hiervoor. Gevraagd werd of het college hieromtrent een commissiebrief kan sturen. Daarop werd niet geantwoord.

 

Leefbaar Utrecht verbond één voorwaarde aan zijn steun, namelijk dat als de zaal gebouwd is er dan aan de buitenkant niets anders te zien zal zijn dan hooguit een naadje in de toegangsweg, daar waar het liftje zit dat naar beneden kan. Zoals we al bij GroenLinks zagen ging de wethouder daar niet op in. Niettemin gaf Leefbaar Utrecht aan het voorstel een hamerstuk voor de raadsvergadering te vinden.

 

Geen enkele partij stelde de voorgestelde wijziging van het bestemmingsplan aan de orde, hoewel daar alle reden voor was. Het Comité Behoud Lucasbolwerk had de raadsleden er immers meerdere malen op gewezen dat de plangrens voor de wijziging een gebied aangaf dat enkele malen groter was dan de locatie van het bouwwerk. CBL had het vermoeden uitgesproken dat er met die tekening een aantal nog onbekende bouwwerken of bouwelementen meegesmokkeld werden.

PvdA, D’66, CDA, VVD en SP hadden alle grote twijfels bij het nut en de noodzaak van het plan. Men was van mening dat een modernisering van de Blauwe Zaal op z’n plaats is, maar dat is al op een andere manier aan de orde. Het ingediende plan ziet echter op het realiseren van een feestzaal die voor ‘de markt’ bedoeld is. Daarvan zijn er al heel wat. De VVD zei op een omfloerste manier dat men het plan in de markt concurrentievervalsend vindt.

Het CDA had vragen bij het type horeca dat B&W met de schouwburg voor ogen heeft en herinnerde er aan dat de raad kort daarvoor had besloten de druk van de horeca in de omgeving van de Nobelstraat te temperen.

VVD en SP waren van mening dat het plan nooit een marktfinanciering kan krijgen, wat veel zegt over de mogelijke rentabiliteit.

D’66 vroeg zich af of de huidige Blauwe Zaal niet al de beoogde middenzaal is en de VVD merkte op dat de huidige Blauwe Zaal gemiddeld maar circa voor 70 % bezet is. D’66 twijfelde of de maatschappelijke baten wel tegen de kosten opwegen en miste een alternatief plan dat voor de openbare ruimte minder ingrijpend is.

De fracties hadden grote twijfels bij de dekking van de investeringskosten uit algemene middelen. De onderbouwing van het plan achtte men zeer onvoldoende. Het door B&W genoemde raadsbesluit uit het voorjaar van 2011 waarin volgens het college is bepaald dat de investeringskosten voor de ondergrondse zaal, naast de huur, financieel gedekt worden door een structurele bijdrage uit de algemene middelen, werd door de SP in het geheel niet herkend. De SP was van mening dat de schouwburg de plankosten betaalt.

Het CDA uitte twijfels met betrekking tot de verdiencapaciteit van de stadsschouwburg om de extra lasten te kunnen opbrengen. De VVD vond het moeilijk denkbaar dat een doelmatige renovatie van de Blauwe Zaal, exact evenveel kost als het omvangrijke en ingrijpende bouwplan voor de ondergrondse zaal. Verder vroeg de VVD om informatie over de grondwaarde die in het plan verdisconteerd moet zijn en naar een exploitatieplan.

CDA en D’66 hadden vragen bij de participatie waarvan het college dat daaruit tot draagvlak geconcludeerd kon worden.

PvdA en SP stelden vragen met betrekking tot de mogelijkheid van de raad om grip te houden op het plan en de amenderingsmogelijkheden.

De VVD vroeg of het plan een toekomstige ondergrondse parkeergarage al dan niet in de weg zit.

 

Cultuurwethouder Lintmeijer had op veel vragen geen concrete antwoorden en deed de nodige toezeggingen om een en ander per nakomende brief te verduidelijken. Waar hij wel concreet antwoordde gebeurde dat in bijna alle gevallen zonder verwijzing naar documenten die feitelijkheden bevatten, zoals de toezegging richting Leefbaar Utrecht dat er na realisering niets van de ondergrondse zaalzichtbaar zou zijn. Daardoor konden de antwoorden als meningen begrepen worden.

Verder liet hij in zijn antwoorden blijken dat er nog het nodige fundamenteel onderzoek naar de bouwwijze en de logistiek zou moeten plaatsvinden. “De brede participatie en inspraak zijn nog niet gedaan”, gaf de wethouder toe.

Vastgoedwethouder Isabella was concreter in zijn antwoorden. Hij stelde dat de huur kostendekkend omhoog zou moeten gaan omdat in het gebouw geïnvesteerd zou worden. Hij was van mening dat de stadsschouwburg de hogere huur kan opbrengen. De plankosten zouden deel uitmaken van het investeringsbudget van de gemeente, zo stelde de wethouder.

 

De beide wethouders overtuigden een overgrote raadsmeerderheid niet. Zoals al gezegd werd het raadsvoorstel niet als een hamerstuk maar als een discussiestuk naar de raadsvergadering van eind februari 2013 verwezen.

 

Op 12 februari 2013 stuurde B&W aan de Raad een brief waarin ingegaan werd op een aantal vragen die de raadscommissie op 29 januari 2013 stelde. De brief werd op de gemeentelijke website geplaatst maar op een onbekend moment op of na 20 februari 2013 weer van de website verwijderd.

De in de brief aangegeven vragen waren deels een vrije weergave van hetgeen de raadscommissie aan de orde had gesteld. Zij luidden als volgt.

  1. Wat is het nut en de noodzaak van de renovatie van Stadsschouwburg Utrecht?
    1. Waarom is een ondergrondse zaal een betere variant dan een inpandige verbouwing?
    2. Als er in de Blauwe Zaal in 2011 maar 247 voorstellingen zijn gepresenteerd dan is er toch ook ruimte om meer te doen binnen de beschikbare capaciteit aan dagen? En zijn er niet genoeg theaterzalen in Utrecht?
    3. Hoeveel en welke voorstellingen loopt de schouwburg mis, vanwege de beperkingen van de Blauwe Zaal?

5     Hoe past de feestzaal in de horecanota? In hoeverre krijgt de feestzaal een autonome functie? Wat zegt dat over de concurrentiepositie ten opzicht van bijvoorbeeld Ottone en de Jaarbeurs?

6     Wanneer is besloten geld te reserveren voor de renovatie van de schouwburg? Welke besluiten heeft het college en de raad inmiddels genomen?

7     Wat zijn de financiële consequenties van de ondergrondse zaal?

8     Hoe hoog zijn plankosten waarover wordt gesproken in het SPvE.?

9     Hoe denkt de gemeente de risico’s en belemmeringen die met de bouw van een ondergrondse zaal zijn gemoeid, te beheersen?

10   Als de raad het SPvE vaststelt, is daarmee een onomkeerbaar besluit genomen?

 

Het merendeel van de vragen werd goed beschouwd niet beantwoord. Met veel woorden werd er om het vraagonderwerp heen gepraat, soms nogal onzakelijk, met een vreemdsoortige retoriek als “Met de realisatie van een ondergrondse zaal met 285 stoelen komt er geen theaterzaal bij in Utrecht maar voegen we iets toe aan de culturele infrastructuur.” (Blz. 3.)

 

Op 23 februari 2013 stuurde CBL aan de Raad een uitgebreid commentaar op de zo-even besproken brief van B&W aan de Raad. Dat commentaar bevatte volgende volgende conclusies:

1. B&W heeft niets aangetoond maar wel veel beweerd. WOB-verzoeken hebben tot dusver geen onderbouwing opgeleverd. Het is ongeloofwaardig dat de uitspraken van B&W over nut, bouwwijze, exploitatie, haalbaarheid, financierbaarheid van de ondergrondse zaal en binnen zekere randvoorwaarden kunnen werken, op onderzoek steunen. Wij houden het er voorlopig op dat het gewoon beweringen zijn om raad, pers en publiek zand in de ogen te strooien.

2. Door de opvallend grote verschillen tussen verschillende cijferreeksen kan men niet op de cijfers vertrouwen.

3. De conclusie die men op basis van vergelijkingen van exploitatiegegevens moet trekken is dat de Stadsschouwburg in relatieve zin beter als festivalgebouw, zaalverhuur- en horecabedrijf beter rendeert dan als culturele instelling, de hoedanigheid waarvoor de stadsschouwburg gesubsidieerd wordt.

4. Hogere omzetten, die de hogere huur moeten gaan dekken, liggen niet in de lijn der verwachting.

Heeft de stad dan te maken met een roekeloos bestuur, of is er misschien zelfs een verborgen agenda? De gretigheid om de bescherming van het bestemmingsplan (voor ook nog eens een veel te ruim gebied) op te heffen op basis van vage, niet-onderbouwde notities, doet vrezen dat het laatste aan de orde is.

5. Dat wat over de exploitatie is bekend gemaakt is bedroevend weinig.

6. (“Feit 2”). Het komt B&W nu niet van pas in herinnering te roepen dat het plan om ondergronds te gaan al in 2008 aan de orde was gekomen. dan zou immers ook in herinnering geroepen moeten worden dat B&W in 2008 van mening was dat de optie op het Lucasbolwerk qua exploitatie geen reële kans van slagen had. Het ‘omvormen’ van de geschiedenis door e.e.a. zo voor te stellen dat het ondergronds gaan een recente vondst was van de architect is dan de escape.

7. De methode van het uit de lucht plukken van prognoses is sedert 2008 aanmerkelijk verbeterd. Men raamt nu dus een algehele bezetting, combineert die met een ditmaal voorzichtige raming die op een veronderstelling is gebaseerd en schat daar vervolgens het gemiddelde uit.

8. Waar de uitgangspunten van een berekening die een groter bezoekersaantal voor de feestzaal laat zien op zijn gebaseerd is niet verteld. Het zijn opmerkelijke uitgangspunten, gegeven het feit dat in bezoekersaantallen gemeten de verhuur in de periode 2008 t/m 2011 met ruim 53 % is teruggelopen.

9. De vraag waarom de ondergrondse zaal een betere variant is dan een inpandige verbouwing moet nog immer worden beantwoord met: omdat B&W dat in zijn vergadering van 4 juni 2012 heeft besloten.

10. Een aantal weergegeven vragen is niet beantwoord.

11. De huurprijs is gebaseerd op nu bekende bouwkostenramingen. Omdat deze geen fundering hebben, heeft de huurprijs ook geen fundering.

12. Het antwoord op de vraag over plankosten is ontwijkend. Gemeld wordt dat de zinsnede hierover in het SPvE in hoofdstuk 5 op blz. 22 niet correct is en zal worden aangepast. Wat er niet correct is, is niet aangegeven. Er is geen aangepast SPvE verschenen.

13. Bouwrisico’s: Geen inhoudelijk antwoord. Omdat er weinig of niets onderzocht is schetst B&W het proces waarin men dat gaat bekijken.

14. De randvoorwaarden die gericht waren op de bescherming van de omgeving zijn helemaal verdwenen. Het raadsvoorstel alsook de brief van B&W spreken er niet meer over. In het SPvE staan alleen nog technische randvoorwaarden.

 

Op 27 februari 2013 berichtte de PvdA-woordvoerder voor het schouwburgplan per e-mail aan CBL:

Het onderwerp ondergronds theater is voor donderdag van de agenda gehaald. En ik heb de indruk na een gesprek met de wethouder dat dat definitief is. Daarmee zal wat betreft de PvdA het oorspronkelijke plan, het restaureren van de BLAUWE ZAAL zoals we daarover eerder hebben besloten ten uitvoer worden gebracht. In de hoop u hiermee duidelijkheid te hebben verschaft.”

CBL maakte dit bekend aan de pers, die hierover publiceerde.

 

Vermoedelijk is er tussen 12 februari 2013 (de datum van de meergenoemde brief van B&W) en 27 februari 2013 (de datum van de mail van de PvdA-woordvoerder) overleg geweest tussen enerzijds de cultuurwethouder of eventueel meerdere collegeleden en anderzijds vertegenwoordigers van een onbekend aantal fracties. Of de brief die CBL op 23 februari 2013 aan de Raad stuurde al dan niet van enige invloed is geweest valt niet uit de stukken op te maken.

 

De agenda voor de raadsvergadering van 28 februari 2013 zoals die op 20 februari 2013 op de gemeentelijke website stond aangegeven, bevatte ongewijzigd het raadsvoorstel dat op 29 januari 2013 in de raadscommissie voorlag. Bij aanvang van de vergadering bleek, althans voor het publiek, dat het desbetreffend agendapunt van de agenda was gehaald.

De raadsvoorzitter (de burgemeester) verzocht de raad in te stemmen met het doorschuiven van

het raadsvoorstel naar de raadsvergadering van 14 maart 2013. De raad stemde daar mee in.

 

De agenda voor de raadsvergadering van 14 maart 2013 zoals deze op 8 maart 2013 op de gemeentelijke website stond aangegeven, bevatte opnieuw ongewijzigd het raadsvoorstel dat op 29 januari 2013 in de raadscommissie voorlag.

Intrekking van het plan

Een brief van B&W aan de Raad, 12 maart 2013. In de brief berichtte B&W zonder nadere verklaring:

“Het college heeft haar voornemen een ondergrondse theaterzaal in het Zocherplantsoen vóór de Stadsschouwburg Utrecht te realiseren, heroverwogen en besloten af te zien van realisatie. Wij willen de renovatie van de Stadsschouwburg Utrecht nu vormgeven volgens het oorspronkelijke plan, waarin de huidige Blauwe Zaal gerenoveerd wordt en zijn huidige functie als podium behoudt. Daartoe zullen wij u in het voorjaar een kredietaanvraag voorleggen.”

 

In de raadsvergadering van 14 maart 2013 bracht de heer Oldenborg (Leefbaar Utrecht) een punt van orde naar voren. Kernpunten daarvan waren verbazing over het voorstel van het college om de ondergrondse theaterzaal van de agenda te halen, op 28 februari was besloten de bespreking van het voorstel 2 weken te verdagen, nu is er het bericht dat het college het voorstel terugneemt.

Leefbaar Utrecht vraagt wat er in de verstreken 14 dagen is gebeurd en stelt de vraag hoe het met de openheid en de transparantie van bestuur is gesteld.

“Op zo’n manier gaan wij niet met elkaar om.” En verder: “Het college weet dan blijkbaar dingen die ik in de commissie-vergadering niet heb meegekregen. Ik heb dat bij de griffier van de commissie gecheckt. Hij heeft dezelfde indruk als ik. Een aantal mensen heeft de zaak via de livestream gevolgd. Als iemand het niet met een voorstel eens is, dan wordt dat normaal gesproken wél in de raadsvergadering behandeld. Vervolgens wordt erover gestemd. Men kan daar dan gewoon “nee” tegen zeggen. Blijkbaar vindt het college dat een aantal fracties tot de conclusie is gekomen om daar “nee” tegen te zeggen. Ik zou echter willen zien dat dit feit gewoon in de raadsvergadering werd vastgesteld. Ik wil niet dat daarover onderhands wordt beslist. Derhalve heb ik vanavond grote bezwaren tegen het feit dat het punt van de agenda wordt afgevoerd. Ik stel voor dat wij het gewoon behandelen. Wij zien dan wel hoe erover wordt gestemd. Wij zijn dat in het kader van onze normale vergadermores verplicht.”

De voorzitter stelde het ordevoorstel ter bespreking.

De fractievoorzitter van de PvdA kreeg het woord:

“Het is een raadsvoorstel van het college. Derhalve kan het college besluiten het in te trekken, te wijzigen of aan te houden. Volgens mij hebben wij dat in de afgelopen tijd wel vaker meegemaakt. Het heeft niet zoveel zin om te praten over een voorstel waar het college niet langer achterstaat. Wat ons betreft, kan het punt van de agenda worden gehaald.”

Het CDA:

“Als het college de raad een stuk heeft toegestuurd, gaat de raad erover of het op de agenda komt en wanneer dat zal gebeuren. De PvdA-fractie heeft er in de krant blijk van gegeven welke kant hun gedachten op gaan. Ik vind het wel zo netjes om dat in de raadsvergadering en niet alleen in de commissievergadering uit te spreken. Ik kan het voorstel van de heer Oldenborg steunen. Laten wij erover spreken en het vervolgens wegstemmen. Dan zijn wij klaar. Dan heeft de raad een duidelijke boodschap afgegeven. Er hoeven dan geen verwarrende moties te worden ingediend.”

D’66:    “Het is een voorstel dat op de agenda staat. Het college stelt nu voor om het van de agenda te halen. De raad kan besluiten om het voorstel alsnog van de agenda te halen en om het niet opnieuw te behandelen. Het college kan het voorstel niet van de agenda halen. Dat ben ik met de heer Oldenborg eens. Als echter blijkt dat in de raad voor het voorstel onvoldoende draagvlak is, kunnen wij de behandeling net zo goed staken.”

ChristenUnie:

Als er geen voorstel van het college meer is, valt er niet veel te besluiten. Hoewel ik de achtergrond van de gedachten van de heer Oldenborg deel, heeft het in dit geval weinig zin om het voorstel op de agenda te houden.”

SP (de heer Schipper):

“Wij zijn gelukkig met het feit dat het ding er niet komt. Wij hoeven er dus vanavond niet over te spreken. Ik ben echter wel, net als de heer Oldenborg, erg nieuwsgierig naar de troepenbewegingen die blijkbaar hebben plaatsgevonden. Het zou fijn zijn als het college daarover openheid kan geven.”

”VVD:   “Wij steunen het verzoek van de heer Schipper over de toelichting van het college. Het lijkt mij verstandig dat het college die geeft. Blijkbaar is in de genoemde tijd van veertien dagen iets aan het gedachtegoed van het college veranderd. Wij waren bereid om het voorstel weg te stemmen, maar het intrekken ervan heeft hetzelfde effect. Wij hebben daartegen geen zeer grote bezwaren. Wij horen graag meer van het college over het hoe en het waarom.”

GroenLinks:

“Wij vinden het logisch om het college te vragen waarom het voorstelt om dit punt van de agenda te halen. De raad gaat daarover. Daarom spreken wij er nu over. Als het college om wat voor reden dan ook het plan niet wil doorvoeren, heeft het niet veel zin om erover te praten.”

 

Met deze bijdragen kwam er veel druk op het college van B&W om zich te verklaren. Wethouder Lintmeijer:

“De genoemde brief is een verzoek aan de raad om het voorstel over het ondergrondse theater niet verder te behandelen. Uiteraard gaat de raad daar zelf over. Iedereen die dat zegt, heeft volkomen gelijk. Dat punt staat niet ter discussie, ook niet voor het college. In de commissie-vergadering is het voorstel behandeld. Er zijn veel vragen gesteld over de haalbaarheid en de risico’s van de ondergrondse zaal. Er zijn naderhand ook schriftelijke vragen over gesteld. Het college heeft geconcludeerd dat het restaureren van de Blauwe Zaal een goed plan was. Wellicht was de andere variant mooier en beter, maar een beter plan moet niet de vijand worden van een goed plan. Gezien de kritische vragen van de coalitiefracties heeft het college besloten om terug te vallen op het goede eerste plan en om het plan voor de ondergrondse zaal te laten liggen.”

Dit was een weinig verduidelijkende reactie. Leefbaar Utrecht legde zich hier teleurgesteld bij neer.

De VVD stelde nog een vraag over de plankosten. “Wie zal die kosten op zich nemen?”

Wethouder Lintmeijer:

“De plankosten moeten gewoon worden gedekt uit het budget dat er is voor het restaureren van de Blauwe Zaal, het oorspronkelijke plan. De kosten moeten binnen het budget blijven. Ik meen dat in de collegebrief hetzelfde staat, maar die heb ik niet voor mij liggen.”

 

Motie. Op initiatief van collegepartij D’66 werd een motie ingediend met het volgende kernpunt. “Geen plannen op te (laten) stellen dan wel voorbereidingen daartoe uit te (laten) voeren die het realiseren van één of meerdere ruimtes onder het Lucasbolwerk mogelijk maken dan wel vereisen.”

Mede-indieners waren de andere collegepartijen, t.w. de PvdA en GroenLinks, en verder de SP. GroenLinks keerde met deze stellingname terug naar zijn standpunt van 2009.

De motie werd aangenomen met de stemmen van de indienende partijen. Alle andere partijen stemden, overigens met uiteenlopende motiveringen, tegen.

 

Nadien

is gebleken dat het Comité Behoud Lucasbolwerk het bij het rechte eind had met zijn tegenover de raad geuite vermoeden dat er met het te ruim trekken van de plangrens voor de beoogde bestemmingsplanwijziging nog onbekende bouwwerken of bouwelementen meegesmokkeld werden[16].

(“Feit 4”). In een overleg tussen bij de interne verbouwing van de stadsschouwburg betrokken ambtenaren en functionarissen van en vanwege de stadsschouwburg, is door de gemeentelijk projectleider meegedeeld dat als gevolg van de aangenomen raadsmotie een beoogde opslagkelder in de bodem voor de expeditie-ingang van de schouwburg, dus grenzend aan of deel uitmakend van de bouw van de beoogde ondergrondse schouwburgzaal, is geschrapt en dat er in plaats daarvan een opslagkelder onder de expeditieruimte wordt gebouwd[17].

De opslagkelder naast de ondergrondse schouwburgzaal was meegetekend in het kaartje van de bestemmingsplanwijziging.

Het is bepaald niet overdreven hieruit de conclusie te trekken dat het colleg de raad op dit punt bewust heeft misleid. In de brief van 27 mei 2013 aan de commissie Stad en Ruimte en de gemeenteraad inzake de interne verbouwing van de Stadsschouwburg, heeft het Comité deze misleiding aan de orde gesteld. De commissie alsook de raad heeft het college hierover niet aan de tand gevoeld of gekapitteld.

 

Stichting Utrechtse Burgers

 

 

 


[1] Brief van CBL aan de raad, juni 2008; ontvangst bevestigd.

[2] Dit kan gefinancierd worden door de personeelsformaties van de afdelingen ‘communicatie’ fors uit te dunnen. Het zijn immers afdelingen die een belangrijke rol vervullen in het aan de man brengen van ondeugdelijk beleid en het marginaliseren van de rol van de raad. Daar is geen enkele behoefte aan.

[3] Dit onderzoek is nooit voor het publiek beschikbaar gekomen en zal men op de gemeentelijke website tevergeefs bij agendastukken van de commissie zoeken.

[4] “De eindconclusie van het onderzoek luidt dat het 2+1 model (een groot amusementstheater en renovatie van de Stadsschouwburg) een haalbare en aan te bevelen optie is. ”Hiermee kunnen de huidige knelpunten op het gebied van zalencapaciteit en -kwaliteit worden opgelost en kan de Stadschouwburg met een nieuwbouw amusementszaal erbij voorzien in de toegenomen publieks- en aanbodvraag.” Blz. 1.

[5] Nieuwbouw Schouwburg XL en verbouwing Stadsschouwburg Utrecht. Dossier: C8574-01-001, registratienummer: BI-PM20093445, versie: 2. Gemeente Utrecht, oktober 2009.

[7] Blz. 22 van het verslag.

[8] Brief van 4 juni 2012, kenmerk 12.049445, blz. 1.

[9] Vergaderverslag Informatieavond renovatie Stadsschouwburg Utrecht 15 maart 2012. E. Goes, (Kassing Notuleerservice), blz. 4 bovenaan.

[10] Zie Verslag, blz. 18 en 22. Zie ook noot 5.

[11] Brief van 4 juni 2012, kenmerk 12.049445, blz. 2.

[12] Verslag Informatiebijeenkomst SPvE Schouwburg Utrecht en ondergrondse fietsenstalling 19 september 2012, blz. 1.

[14] Bloot en onbedekt – de aankleding van het schaalvergrotingsplan stadsschouwburg Utrecht met eigentijdse Nieuwe Kleren van de Keizer. 8 januari 2013.

[15] Aangehaald door CBL in “Omtrent het plan voor een ondergrondse theaterzaal bij de stadsschouwburg in Utrecht niet-uitgesproken bijdragedeel aan de raadsinformatie-avond van 3 april 2012, van de Vereniging Comité Behoud Lucasbolwerk”, blz. 16, welk document ter kennis van de raad is gebracht.

[16] Zie blz. 7

[17] Verslag Gesprek renovatie Stadsschouwburg Utrecht van 14 mei 2013, opgenomen in een e-mail van de projectleider, dd. 17 mei 2013, 09:54 u.